Toegankelijkheid wordt per individueel geval actueel en zelfstandig beoordeeld. Het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap duidt dit als een case-by-case beoordeling. Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties benadrukt voor toegang tot het recht individuele en actuele afstemming. Centraal staat of in de concrete situatie een relevante barrière bestaat en, zo ja, wat nodig is voor toegankelijke deelname. Een categorische uitspraak over een label of groep kan deze individuele beoordeling niet vervangen. Beperkingen, barrières en behoeften kunnen in de tijd veranderen. De uitkomst kan ook zijn dat geen individuele maatregel nodig is. Hieronder staat dit uitgewerkt voor publieke, rechterlijke en private organisaties, gevolgd door de betekenis van een College-oordeel en de bronnenlijst.
Publieke organisaties
Bij algemene contacten met een publieke organisatie staat toegankelijkheid voorop. Dat geldt ook buiten een bestuursbesluit. Voor de vraag wie binnen dit mensenrechtelijke kader als persoon met een handicap geldt, is artikel 1 CRPD (Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap) het uitgangspunt: de beperking wordt bezien in wisselwerking met barrières die deelname kunnen belemmeren. De Wgbh/cz bevat geen eigen definitie van handicap of chronische ziekte en een College-oordeel bepaalt de reikwijdte van het CRPD niet. Waar de Wgbh/cz niet van toepassing is, wordt de toegankelijkheidsvraag zelfstandig beoordeeld binnen het toepasselijke CRPD- en publiekrechtelijke kader. Een College-oordeel over de Wgbh/cz vervangt die beoordeling niet. De organisatie houdt rekening met verschillende vormen van beperking en met barrières in informatie, communicatie en contact. Wanneer een mogelijke individuele belemmering kenbaar is, moet binnen het toepasselijke kader zelfstandig worden beoordeeld of deze de deelname belemmert en, zo ja, wat deze persoon nodig heeft om daadwerkelijk te kunnen deelnemen. Het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap heeft Nederland in 2024 bovendien aanbevolen ervoor te zorgen dat bestuurlijke organen de rechten uit het CRPD consequent en effectief toepassen in individuele gevallen.
Bij een bestuursbesluit moet het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 Awb de nodige kennis verzamelen over de relevante feiten en belangen. Voor zover de persoon bij de voorbereiding of totstandkoming van het besluit betrokken is, moet die deelname ook toegankelijk zijn. Een beperking, de gevolgen daarvan en een behoefte aan toegankelijkheid horen daarbij zodra zij voor het besluit relevant zijn. Vervolgens moeten de belangen zorgvuldig en evenredig worden afgewogen en moet het besluit deugdelijk worden gemotiveerd. De situatie op het relevante beoordelingsmoment is daarbij het vertrekpunt: de persoon, de context, de barrière en de behoefte worden in hun samenhang beoordeeld. Daarvoor is informatie nodig die de situatie op het relevante beoordelingsmoment voldoende betrouwbaar weergeeft. Artikel 3:1 lid 2 Awb maakt de regels over zorgvuldigheid en belangenafweging ook van overeenkomstige toepassing op andere handelingen van bestuursorganen, voor zover de aard daarvan zich daartegen niet verzet.
Ook de klachtbehandeling moet toegankelijk zijn. Bij klachtbehandeling heeft een bestuursorgaan de plicht klachten behoorlijk te behandelen. Bij de formele behandeling van een klaagschrift krijgt de klager in beginsel gelegenheid om te worden gehoord. Als een beperking invloed heeft op het kunnen geven, ontvangen of verwerken van informatie, wordt daarmee rekening gehouden bij de manier waarop de klacht wordt behandeld. Zo kan de klager daadwerkelijk aan de klachtprocedure deelnemen.
Rechterlijke organisaties
Bij algemene contacten met een rechterlijke organisatie staat toegankelijkheid voorop. Dat geldt ook buiten een juridische procedure, bijvoorbeeld bij schriftelijke communicatie, informatie over de werkwijze en contact met de administratie. Voor wie binnen dit mensenrechtelijke kader als persoon met een handicap geldt, is artikel 1 CRPD het uitgangspunt. De Wgbh/cz en een College-oordeel bepalen de reikwijdte van het CRPD niet. Waar de Wgbh/cz niet van toepassing is, wordt de toegankelijkheidsvraag zelfstandig beoordeeld binnen het CRPD en, binnen een juridische procedure, het toepasselijke procesrecht. Een College-oordeel over de Wgbh/cz vervangt die beoordeling niet. Wanneer een mogelijke barrière kenbaar is, moet zelfstandig worden beoordeeld of deze de deelname belemmert en, zo ja, wat nodig is voor toegankelijke deelname. Het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap heeft Nederland in 2024 bovendien aanbevolen ervoor te zorgen dat rechterlijke organen de rechten uit het CRPD consequent en effectief toepassen in individuele gevallen.
Binnen een juridische procedure geldt een specifieke norm. De procedure moet toegankelijk zijn zodat de persoon daarin effectief kan deelnemen. Artikel 13 CRPD spreekt over procedurele voorzieningen die de effectieve rol van een persoon met een beperking in de procedure mogelijk maken. Deze voorzieningen zijn individueel: wat nodig is, wordt bepaald aan de hand van de persoon en de concrete procedure. De behoefte kan tijdens de procedure veranderen. Daarom hoort ook de ontwikkeling in de tijd bij de beoordeling. Waar artikel 6 EVRM van toepassing is, sluit dit aan bij het uitgangspunt dat procesrechten praktisch en effectief moeten kunnen worden uitgeoefend.
Ook de klachtbehandeling binnen een gerecht moet toegankelijk zijn. Artikel 26 Wet op de rechterlijke organisatie verbindt de klachtenregeling van gerechten aan afdeling 9.1.2 Awb. Wanneer een beperking van invloed is op communicatie, horen of informatieverwerking, wordt daarmee rekening gehouden bij de wijze waarop de klachtprocedure wordt uitgevoerd.
Private organisaties
Bij algemene contacten binnen de terreinen waarop de Wgbh/cz van toepassing is, staat algemene toegankelijkheid voorop. Artikel 2a Wgbh/cz verlangt dat organisaties daar geleidelijk voor zorgen. Het Besluit algemene toegankelijkheid noemt voorzieningen van eenvoudige aard als minimum. Zo wordt vooraf rekening gehouden met verschillende vormen van beperking en met toegankelijkheid van informatie, communicatie en dienstverlening.
Wanneer algemene toegankelijkheid voor een persoon onvoldoende is, geldt artikel 2 Wgbh/cz. De individuele aanpassing maakt dan toegankelijke deelname mogelijk. De organisatie beoordeelt dan zelfstandig de persoon, de concrete situatie, de barrière en de behoefte. Zij onderzoekt samen met de persoon welke doeltreffende aanpassing nodig is. Die aanpassing moet geschikt en noodzakelijk zijn; een even effectief alternatief kan ook passend zijn. De beoordeling gaat uit van de actuele situatie.
Ook de klachtbehandeling die onderdeel is van de dienstverlening moet toegankelijk zijn. De organisatie houdt rekening met een beperking die deelname aan die klachtbehandeling belemmert. De organisatie stemt de communicatie en werkwijze daarop af en beoordeelt actuele informatie over de barrière en behoefte. Zo kan de persoon de klacht daadwerkelijk naar voren brengen en aan de behandeling daarvan deelnemen.
College-oordeel: beoordeling van een individueel geval, niet juridisch bindend
Een oordeel van het College voor de Rechten van de Mens is een gezaghebbende beoordeling van een individueel geval binnen zijn wettelijke oordeelbevoegdheid. Het College zegt zelf dat zijn oordelen juridisch niet bindend zijn. Het College onderzoekt individuele klachten binnen de gelijkebehandelingswetgeving. Bij handicap of chronische ziekte is de Wgbh/cz de formele toetsingsnorm. Artikel 10 Wet College voor de rechten van de mens noemt de Wgbh/cz in de wettelijke opsomming van wetten en bepalingen waarover het College kan oordelen; het CRPD staat niet in die opsomming als zelfstandige toetsingsnorm. Het CRPD kan wel een rol spelen bij de uitleg van de Wgbh/cz. De betekenis van een College-oordeel is daarmee verbonden aan die wettelijke toetsingsnorm én aan de feiten van het individuele geval. Een conclusie over een bepaalde aanduiding, groep of situatie kan daarom niet zonder individuele beoordeling op een andere persoon of situatie worden toegepast. Een eerder College-oordeel kan ter vergelijking bij de juridische beoordeling worden betrokken. Voor een nieuwe situatie blijft een zelfstandige beoordeling nodig van de actuele context, mogelijke barrière, behoefte en omstandigheden. Zo krijgt iedere nieuwe zaak haar eigen case-by-case beoordeling.
Bronnen
Bij de paragraaf “Publieke organisaties”:
- VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: art. 1, 2, 4 lid 1 onder d, 5, 9 en 21. Het Verdrag koppelt handicap aan de wisselwerking tussen persoon en barrières en verplicht overheidsautoriteiten en -instellingen tot handelen in overeenstemming met het Verdrag.
- Algemene wet bestuursrecht: art. 3:1 lid 2, 3:2, 3:4, 3:46, 9:2 en 9:10.
- Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, General Comment No. 6: bij redelijke aanpassingen worden barrières in dialoog met de persoon onderzocht en is een case-by-case approach aangewezen.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Thlimmenos v. Greece [GC], no. 34369/97: gelijkheid kan vragen om verschillende behandeling wanneer situaties relevant verschillen.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Çam v. Turkey, no. 51500/08: de concrete behoeften en mogelijke aanpassingen moeten worden onderzocht.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Enver Şahin v. Turkey, no. 23065/12: een oplossing vraagt een geïndividualiseerde beoordeling van de werkelijke situatie.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Wieczorek v. Poland, no. 18176/05: erkent dat individuele situaties zich in de tijd kunnen ontwikkelen; gewijzigde omstandigheden kunnen daarom een nieuwe beoordeling rechtvaardigen.
- Nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap: toegankelijkheid is de norm; fysieke, sociale, digitale, juridische en bureaucratische drempels moeten worden weggenomen. Informatie moet begrijpelijk zijn en passen bij de persoon. Ook toegang tot het recht en bezwaar- en klachtenprocedures moeten toegankelijk zijn.
- Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025–2030: bevat voor 2025–2030 uitvoeringsmaatregelen voor toegankelijke overheidscommunicatie, betrokkenheid van mensen met een beperking, toegankelijkheid van de rechter en gerechtsgebouwen, het zorgen voor vaste aanspreekpunten en het zichtbaar maken van wensen en behoeften.
- Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, Concluding observations on the initial report of the Kingdom of the Netherlands, CRPD/C/NLD/CO/1 (2024): het Comité constateert dat rechterlijke en bestuurlijke organen nationaal recht in het algemeen onvoldoende in het licht van het CRPD interpreteren en beveelt Nederland aan te waarborgen dat zij de rechten uit het CRPD consequent en effectief toepassen in individuele gevallen.
- Kamerstukken II 2024/25, 24 170, nr. 329, beleidsreactie op de Concluding Observations: de staatssecretaris onderschrijft “van harte” de algemene aansporing om de positie en gelijke kansen van mensen met een beperking te verbeteren, erkent dat de samenleving nog niet toegankelijk genoeg is en stelt dat opvolging van de aanbevelingen voortdurend aandacht vraagt in beleid, wetgeving en de uitvoeringspraktijk van organisaties.
Bij de paragraaf “Rechterlijke organisaties”:
- VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: art. 1, 4 lid 1 onder d, 5, 9, 13 lid 1 en 2 en 21. Artikel 1 geeft het uitgangspunt voor wie als persoon met een handicap onder het Verdrag valt; art. 4 lid 1 onder d ziet op overheidsautoriteiten en -instellingen; art. 9 en 21 op toegankelijkheid, informatie en communicatie; art. 13 specifiek op toegang tot de rechter en procedurele voorzieningen.
- Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, General Comment No. 6: maakt onderscheid tussen redelijke aanpassingen en procedurele voorzieningen en benadrukt individualisering.
- International Principles and Guidelines on Access to Justice for Persons with Disabilities, Principle 3: Staten behoren individualized procedural accommodations te bieden die in het concrete geval nodig zijn.
- Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR), A/HRC/37/25, §§ 24–28: de voorkeur en behoefte van de persoon staan centraal; wanneer de behoefte in de tijd verandert, wordt de procedurele voorziening aangepast of vervangen.
- Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, Ruiz Suárez v. Spain, Communication No. 69/2019: procedurele voorzieningen moeten aansluiten op de individuele persoon en effectieve deelname aan de procedure mogelijk maken.
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: art. 6 en, waar toepasselijk, art. 14.
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: Protocol nr. 12.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Thlimmenos v. Greece [GC], no. 34369/97: gelijkheid kan vragen om verschillende behandeling wanneer situaties relevant verschillen.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Çam v. Turkey, no. 51500/08: de concrete behoeften en mogelijke aanpassingen moeten worden onderzocht.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Enver Şahin v. Turkey, no. 23065/12: een oplossing vraagt een geïndividualiseerde beoordeling van de werkelijke situatie.
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Wieczorek v. Poland, no. 18176/05: erkent dat individuele situaties zich in de tijd kunnen ontwikkelen; gewijzigde omstandigheden kunnen daarom een nieuwe beoordeling rechtvaardigen.
- Wet op de rechterlijke organisatie: art. 26, in samenhang met afdeling 9.1.2 Awb.
- Nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap: toegankelijkheid is de norm; fysieke, sociale, digitale, juridische en bureaucratische drempels moeten worden weggenomen. Informatie moet begrijpelijk zijn en passen bij de persoon. Ook toegang tot het recht en bezwaar- en klachtenprocedures moeten toegankelijk zijn.
- Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025–2030: bevat voor 2025–2030 uitvoeringsmaatregelen voor toegankelijke overheidscommunicatie, betrokkenheid van mensen met een beperking, toegankelijkheid van de rechter en gerechtsgebouwen, het zorgen voor vaste aanspreekpunten en het zichtbaar maken van wensen en behoeften.
- Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap, Concluding observations on the initial report of the Kingdom of the Netherlands, CRPD/C/NLD/CO/1 (2024): het Comité constateert dat rechterlijke en bestuurlijke organen nationaal recht in het algemeen onvoldoende in het licht van het CRPD interpreteren en beveelt Nederland aan te waarborgen dat deze organen de rechten uit het CRPD consequent en effectief toepassen in individuele gevallen. Onder artikel 13 constateert het Comité daarnaast barrières in rechterlijke en bestuurlijke procedures en beveelt het toegankelijke en op handicap afgestemde procedures, toegankelijke informatie en passende ondersteuning aan.
- Kamerstukken II 2024/25, 24 170, nr. 329, beleidsreactie op de Concluding Observations: de staatssecretaris onderschrijft “van harte” de algemene aansporing om de positie en gelijke kansen van mensen met een beperking te verbeteren, erkent dat de samenleving nog niet toegankelijk genoeg is en stelt dat opvolging van de aanbevelingen voortdurend aandacht vraagt in beleid, wetgeving en de uitvoeringspraktijk van organisaties.
Bij de paragraaf “Private organisaties”:
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte: art. 1, 2, 2a en 10, samen met de bereikbepaling die op de concrete verhouding van toepassing is.
- Besluit algemene toegankelijkheid: art. 6 en 7; algemene toegankelijkheid en voorzieningen van eenvoudige aard.
- Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3: de aanpassing wordt per concrete situatie bepaald. Vóór een weigering onderzoekt de organisatie wat mogelijk is, informeert zij bij de betrokkene en zijn overleg en actief handelen vereist.
- Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3: een doeltreffende aanpassing moet geschikt en noodzakelijk zijn; of zij moet worden getroffen hangt af van de omstandigheden van het geval. Of iemand belemmeringen ondervindt, is mede afhankelijk van de context waarin die persoon functioneert. De wetsgeschiedenis waarschuwt daarnaast voor vooroordelen, generaliserende beelden en stereotypen waardoor mensen bij voorbaat anders worden benaderd. Het achterwege laten van noodzakelijke aanpassingen kan ertoe leiden dat iemand feitelijk wordt uitgesloten. De wetsgeschiedenis laat daarnaast ruimte om bij de beoordeling rekening te houden met maatschappelijke en technologische ontwikkelingen.
Bij de paragraaf “College-oordeel: beoordeling van een individueel geval, niet juridisch bindend”:
- Wet College voor de rechten van de mens, art. 10: somt de wetten en bepalingen op waarover het College binnen zijn wettelijke oordeelbevoegdheid kan oordelen. Voor handicap of chronische ziekte noemt artikel 10 de Wgbh/cz. Het CRPD staat niet in deze opsomming als zelfstandige toetsingsnorm.
- College voor de Rechten van de Mens: een oordeel van het College is juridisch niet bindend, maar wel gezaghebbend; wanneer de zaak aan een rechter wordt voorgelegd, moet de rechter het oordeel in zijn afweging betrekken.
- Kamerstukken II 2013/14, 33 990, nr. 3: de aanpassing wordt per concrete situatie bepaald; vóór een weigering onderzoekt de organisatie wat mogelijk is, informeert zij bij de betrokkene en zijn overleg en actief handelen vereist.
- Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3: of iemand belemmeringen ondervindt, is mede afhankelijk van de context waarin die persoon functioneert. De wetsgeschiedenis waarschuwt voor vooroordelen, generaliserende beelden en stereotypen waardoor mensen bij voorbaat anders worden benaderd.