Zeker bij eenzijdig overheidshandelen moet de behoefte aan aanpassing zelfstandig binnen het toepasselijke juridische kader worden beoordeeld.
Uit oordeel 2025-89 van het College voor de Rechten van de Mens volgt geen algemene regel over leuKtisme. Uit het oordeel volgt dus niet: “leuKtisme valt nooit onder de Wgbh/cz.”
Voor overheidsorganisaties is vooral van belang welk juridisch kader op hun handelen van toepassing is. Oordeel 2025-89 is gegeven binnen het toetsingskader van de Wgbh/cz, in een zaak tegen een vervoerder.
Op eenzijdig overheidshandelen is de Wgbh/cz niet van toepassing. De Staat is op grond van het VN-verdrag Handicap wel verplicht te waarborgen dat overheidsautoriteiten en -instellingen in overeenstemming met het Verdrag handelen. Een binnen de Wgbh/cz gegeven College-oordeel kan daarom op zichzelf geen voldoende grond vormen om een behoefte aan aanpassing bij dat overheidshandelen af te wijzen en vervangt niet de beoordeling die binnen het daarvoor toepasselijke juridische kader moet plaatsvinden. Bij die beoordeling moet worden bezien welke langdurige functionele beperking speelt, hoe deze in wisselwerking met drempels de participatie beïnvloedt en welke aanpassing in de concrete situatie nodig en passend is. Een eerdere uitspraak, algemene kwalificatie of eerder over een behoefte ingenomen standpunt kan bij die beoordeling worden betrokken, maar kan de vereiste beoordeling van de actuele individuele en concrete situatie niet vervangen.
Volgens artikel 2 van het VN-verdrag Handicap omvat discriminatie op grond van handicap ook de weigering van redelijke aanpassingen. Volgens artikel 1 omvat de groep personen met een handicap personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. In oordeel 2025-89 legde het College de begrippen handicap en chronische ziekte in de Wgbh/cz uit in lijn met artikel 1 van het VN-verdrag Handicap, maar gaf het geen zelfstandig oordeel over schending van dat Verdrag. Oordeel 2025-89 doet aan de verdragsverplichtingen van de overheid niet af.
Bij de toepassing van de Wgbh/cz zijn de concrete persoon en situatie bepalend. De wetsgeschiedenis zegt uitdrukkelijk dat het bij doeltreffende aanpassingen gaat om aanpassingen die “in een concrete situatie nodig zijn” en dat deze verplichting “afhankelijk van de concrete situatie” moet worden ingevuld. Daarbij moet worden bezien welke langdurige functionele beperking speelt, met welke drempels deze in wisselwerking staat en welke gevolgen dat voor de participatie van de betrokken persoon heeft. Een beoordeling in een eerdere zaak vervangt die beoordeling niet wanneer de feitelijke, functionele of juridische situatie verschilt. Als een behoefte aan aanpassing kenbaar is, moet vervolgens concreet worden beoordeeld welke doeltreffende aanpassing naar gelang die behoefte nodig is en of deze een onevenredige belasting vormt.
Deze individuele benadering sluit aan bij artikel 2 VN-verdrag Handicap, waarin een redelijke aanpassing wordt omschreven als een noodzakelijke en passende aanpassing die “in een specifiek geval” nodig is. Het CRPD-Comité kwalificeert de verplichting bovendien als een geïndividualiseerde verplichting en verlangt een case-by-case beoordeling in dialoog met de betrokken persoon.
Daarom kan oordeel 2025-89 niet fungeren als categoriale of zelfstandige afwijzingsgrond voor een huidige behoefte aan aanpassing. Het oordeel kan als eerdere bron worden betrokken, maar ontslaat de beoordelende instantie niet van de verplichting de actuele functionele beperking, de concrete drempels, de gevolgen daarvan voor participatie en de in die situatie benodigde aanpassing zelfstandig te beoordelen. Dat geldt temeer wanneer de feitelijke of functionele situatie verschilt of inmiddels nader is beschreven en onderbouwd dan in de procedure uit 2025.
Wat gebeurde er in oordeel 2025-89?
Oordeel 2025-89 ging over één klacht tegen Connexxion in het openbaar vervoer. Tijdens de busrit werd de auditieve en visuele informatie over een halte in een andere volgorde aangeboden dan bij de voorafgaande haltes. Volgens de in het oordeel weergegeven situatie checkte de reiziger daardoor een halte te vroeg uit en kreeg hij een boete, die later werd kwijtgescholden.
Het College keek eerst of de door verzoeker gestelde visuele en cognitieve beperkingen konden worden aangemerkt als handicap of chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz. Het College vond in die zaak dat de door de reiziger omschreven behoefte, zoals die toen was onderbouwd, niet kon worden aangemerkt als handicap in de zin van de Wgbh/cz. Het College overwoog bovendien dat, zelfs als die behoefte als handicap zou worden aangemerkt, niet was gebleken dat hierdoor de toegang tot de bus werd beperkt.
Het College gaf verzoekers omschrijving weer als een sterke behoefte aan logica, ethiek, universaliteit en karmisch bewustzijn in denken en handelen. Het College formuleerde zijn beoordeling vervolgens niet als een algemene kwalificatie van leuKtisme als medisch of juridisch label, maar oordeelde over “de door verzoeker omschreven behoefte” zoals die in deze procedure voorlag.
Daarom verklaarde het College zich onbevoegd om te oordelen of Connexxion verboden onderscheid had gemaakt.
Wat heeft het College níet geoordeeld?
Uit oordeel 2025-89 volgt niet dat:
- een onder het label leuKtisme beschreven beperking nooit een handicap in de zin van de Wgbh/cz kan zijn;
- leuKtisme per definitie geen aandoening kan zijn;
- personen met leuKtisme nooit aanspraak kunnen maken op aanpassingen.
Het College oordeelde in rechtsoverweging 6.6 dat “de door verzoeker omschreven behoefte” in die zaak niet als handicap in de zin van de Wgbh/cz kon worden aangemerkt. Het formele eindoordeel luidde vervolgens dat het College niet bevoegd was te beoordelen of Connexxion verboden onderscheid had gemaakt.
Dat is een zaakgebonden beoordeling. Het College beoordeelde daarmee de destijds omschreven behoefte aan logica, ethiek, universaliteit en karmisch bewustzijn in denken en handelen. Verzoeker had dit uitdrukkelijk als cognitieve beperking in denken en handelen aangevoerd. Wat in die procedure nog niet op deze wijze was beschreven en onderbouwd, was de samenhang met een structureel neurocognitief informatieverwerkingsprofiel zoals die uit de huidige beschrijving van leuKtisme naar voren komt. Ook de mogelijke functionele gevolgen daarvan en de wisselwerking met concrete drempels waren in die procedure nog niet op die wijze beschreven en onderbouwd. Het oordeel bevat geen algemene vaststelling dat een onder het label leuKtisme beschreven langdurige functionele beperking categorisch buiten het bereik van de Wgbh/cz valt.
Wat betekent dit voor organisaties?
Een oordeel van het College is juridisch niet bindend, maar wel gezaghebbend. Het College geeft binnen zijn wettelijke taak een oordeel over een concrete zaak. Een oordeel kan daarom gewicht hebben, maar moet steeds in zijn feitelijke en juridische context worden gelezen.
Een organisatie waarop de Wgbh/cz in de betreffende situatie van toepassing is, kan het oordeel daarom niet zonder meer gebruiken als grond om een concrete behoefte aan aanpassing af te wijzen.
Dus niet:
- “Er is een oordeel over leuKtisme, dus wij hoeven geen aanpassing te verrichten.”
- “Het College heeft geoordeeld dat leuKtisme niet onder de beschermingsgrond handicap of chronische ziekte van de Wgbh/cz valt.”
Maar wel:
- “Wij stemmen met deze persoon af over de concrete drempel en beoordelen welke doeltreffende aanpassing naar gelang de behoefte nodig is.”
De Wgbh/cz stelt een DSM-classificatie niet als zelfstandige wettelijke voorwaarde. Medische of diagnostische informatie kan de onderbouwing ondersteunen, maar de wettelijke toets valt niet samen met het al dan niet hebben van een DSM-classificatie.
De juridische beoordeling draait daarom niet om het etiket, maar om de concrete functionele situatie. Niet het woord leuKtisme is beslissend, maar welke concrete beperking speelt, welke drempel ontstaat en welke behoefte aan aanpassing is gebleken. Ook de wetsgeschiedenis benadrukt uitdrukkelijk dat het gaat om aanpassingen die in een concrete situatie nodig zijn en dat de verplichting afhankelijk van die concrete situatie moet worden ingevuld.
De functionele samenhang bij leuKtisme is inmiddels nader beschreven
In oordeel 2025-89 waren denken en handelen al onderdeel van de omschrijving van de door verzoeker gestelde cognitieve beperking. In de huidige beschrijving van leuKtisme is nader beschreven hoe dit denken en handelen bij leuKtisme functioneel en neurocognitief samenhangen met de verwerking en integratie van informatie. Bij de betrokkene uit oordeel 2025-89 was deze functionele samenhang in de procedure nog niet op deze wijze beschreven en onderbouwd. De inconsistente informatie in de bus is in de procedure wel naar voren gebracht, maar daarin was nog niet op deze wijze beschreven hoe deze informatie bij de betrokkene samenhing met de behoefte aan logisch, ethisch en universeel verwerkbare informatie, noch welke gevolgen dit had voor zijn informatieverwerking en handelen.
In de procedure uit 2025 gaf het College de door verzoeker gestelde cognitieve beperking weer als een sterke behoefte aan logica, ethiek, universaliteit en karmisch bewustzijn in denken en handelen. In de huidige beschrijving van leuKtisme is nader beschreven hoe cognitieve verwerking, oordeelsvorming en handelen onderling samenhangen. Daarbij staat centraal dat voor verwerking en integratie een structurele neurocognitieve afhankelijkheid bestaat van logisch, ethisch en universeel toepasbare informatie. Die wisselwerking tussen informatie en handelen is op zichzelf niet specifiek voor leuKtisme. Handelen en besluitvorming leveren informatie op die door anderen moet worden verwerkt, terwijl informatieverwerking op haar beurt richting geeft aan oordeelsvorming, besluitvorming en handelen. Bij leuKtisme ligt de relevante functionele samenhang in de structurele neurocognitieve voorwaarden waaronder informatie voldoende kan worden verwerkt en geïntegreerd.
De inmiddels nader beschreven functionele samenhang vervangt het eerder genoemde denken en handelen dus niet, maar maakt duidelijker hoe informatieverwerking samenhangt met oordeelsvorming en handelen. Het gaat daarbij niet primair om een normatieve voorkeur voor bepaald handelen, maar om de voorwaarden waaraan informatie moet voldoen om informatie te kunnen verwerken en integreren en van daaruit richting te kunnen geven aan oordeelsvorming en handelen. Deze functionele samenhang was in de procedure uit 2025 nog niet op deze wijze beschreven en onderbouwd.
Na het oordeel is aanvullende diagnostische informatie beschikbaar gekomen
Na het oordeel is aanvullende diagnostische informatie beschikbaar gekomen waarin de DSM-5-classificatie en het neurocognitieve profiel van betrokkene nader in samenhang worden beschreven. In dat profiel wordt tevens beschreven hoe de behoefte aan logisch, ethisch en universeel toepasbare informatie samenhangt met cognitieve verwerking, oordeelsvorming en ondersteuningsbehoefte.
Het diagnostisch profiel beschrijft hoe de kenmerken die met leuKtisme samenhangen doorwerken in de cognitieve verwerking, het functioneren en de ondersteuningsbehoefte van betrokkene.
Dit diagnostische profiel was bij oordeel 2025-89 nog niet beschikbaar. Dit diagnostische profiel was bij oordeel 2025-89 nog niet beschikbaar. Tijdens de busrit en de daaropvolgende klachtbehandeling waren reeds kenmerken en functionele problemen aan de orde die later in het diagnostische profiel nader in samenhang zijn beschreven. De latere diagnostische informatie kan daarmee aanvullende onderbouwing bieden voor de huidige functionele beoordeling, maar maakte geen deel uit van het dossier waarop het College in 2025 oordeelde.
Voor toepassing van de Wgbh/cz is een DSM-classificatie geen zelfstandige wettelijke voorwaarde. leuKtisme zowel zonder diagnose als binnen een DSM-classificatie voorkomen.
Het label ‘leuKtisme’ is niet beslissend
Een behoefte aan aanpassing kan daarom niet enkel worden afgewezen omdat iemand het woord leuKtisme gebruikt. Evenmin volgt uit het oordeel dat een onder het label leuKtisme beschreven beperking categorisch buiten de bescherming van de Wgbh/cz valt.
Voor de juridische beoordeling is niet het label op zichzelf beslissend, maar de langdurige functionele beperking en de wisselwerking daarvan met concrete drempels. Wanneer daaruit een participatiebelemmering blijkt en een behoefte aan aanpassing kenbaar is, moet vervolgens binnen het toepasselijke juridische kader concreet worden beoordeeld of en welke aanpassing nodig en passend is.
Hulp nodig?
Wil je als organisatie zorgvuldig afstemmen over een gebleken behoefte aan aanpassing? Of wil je voorkomen dat een oordeel onjuist wordt toegepast?
Neem contact met ons op via hallo@leuKtisme.nl.